vzw Muinkparkwijk
Uw buurt, onze zorg

 

De succesvolle zoo vlakbij het station in Antwerpen bracht de Gentenaars op een idee. De Gazette van Gent berichtte op maandag 14.04.1851 dat op 12.04.1851 de “Gentse Maatschappij voor Natuurlijke Historie” was opgericht. Doel was onder meer de verruiming van de natuurhistorische kennis evenals het aanbieden van een gelegenheid tot een aangename, leerrijke en pittoreske wandeling in een fraaie omgeving. Gent werd zo de eerste universiteitsstad die een dierentuin kreeg. Deze kreeg ook regelmatig overleden dieren voor onderzoek, hoewel de permanent in geldzorgen verkerende dierentuin ze liever aan particulieren en taxidermisten verkocht. Luik kreeg de zijne pas in 1861. Maar Antwerpen was Gent voor en bouwde haar zoo al in 1843.
Vergeten we evenwel niet dat in het Gentse Gravensteen een middeleeuwse diergaarde gehouden werd, waarin ook leeuwen voorkwamen. Later in de 15e eeuw verhuisde de gaarde naar het Prinsenhof, waar de leeuwen in de met water omgeven “leeuwenhof” vertoefden; een relict daarvan is thans een beschermd monument, m.n. Prinsenhof 79, Gent . Pas in de december 1851 na een statutenwijzingen waardoor een commerciële activiteit mogelijk werd, verkreeg de maatschappij het statuut van naamloze vennootschap. De raad van bestuur bestond uit minimum 12 door de algemene vergadering voor 2 jaar verkozen leden, die ieder minimum 10 aandelen (ca 1000 fr) bezaten.
De organisatie van de dierentuin lag in de handen van de bestuursraad, met als belangrijkste verantwoordelijken de directeur en de secretaris.

Jaarlijks werd er verantwoording afgelegd aan de Vergadering der aandeelhouders, waar de financiële situatie van de Maatschappij werd voorgelegd.

De dierentuin werd gebouwd op gronden tussen het tracé van het Zuidstation in de Muinkmeersen en de Opperschelde (Muinkaai).Op 21.02.1851 werd daartoe 3ha, 30a weiland aangekocht . Het eerste jaar al werd het hoofdgebouw opgericht, getekend in Byzantijnse stijl door de bekende ingenieur-architect Adolphe Pauli (1820-1895) en Bauwens, waarna tegen het eind van het jaar ook gedacht werd aan de bouw van winterkwartieren voor de dieren. In de Gazette van Gent van 14.01.1852 vindt men de offerte-aanvragen terug voor deze gebouwen. In 1853 wordt de dierentuin uitgebreid tot zowat 4 ha 98 a en 83 ca en in 1860 tot 5 ha 42 a en 37 ca. Later zouden evenwel zo’n 4a aan particulieren verkocht worden.

Het park bestond uit vijvers verbonden via waterloopjes. Midden het park bevond zich een rots waarop een kiosk stond met bovenaan een windmolen die voor het oppompen van het water voor de dieren zorgde. In de kiosk werden wekelijks concerten georganiseerd. Het hoofdgebouw bevatte onder meer een café-restaurant en verschillende zalen en salons. Voorts stonden er dierenkooien voor verschillende leeuwen, een poema, een olifant, vele soorten roofvogels, sierhoenders en siervogels, graseters als herten, lama’s, kangoeroes, een berenkuil met een boom...

Aanvankelijk was het bezoek beperkt tot de leden van maatschappij, te weten leden-aandeelhouders, bezoekende leden met een abonnement en ereleden. Om lid te kunnen worden moest men bovendien voorgedragen worden. Geleidelijk aan worden de normen minder streng en worden andere sociale klassen toegelaten zoals de officieren van het Gentse garnizoen, buitenstaanders uitgenodigd door aandeelhouders, liefdadigheidsinstellingen en educatieve instellingen. Vanaf 1857 werden op zon- en feestdagen van 8 tot 12 werklieden en dienstpersoneel tegen betaling van 20 cent (toen ca 14% van een arbeidersdagloon) toegelaten. Later volgden nog toelating van plattelandsbewoners, soldaten, staatsambtenaren van de PTT, spoorwegen en ministeries.

Vanaf het eind van de negentiende eeuw loopt gaandeweg het aantal leden sterk terug en op 1.10.1903 moet men de exploitatie stoppen. De dieren worden openbaar verkocht en de gronden worden aangekocht door de stad, die er op een deel arbeidswoningen wil bouwen. Ondanks protest van de “deftige” buurtbewoners komen deze arbeiderswoningen er in wat thans de Alpaca-, Kevie-, Langhals- en Takkenbosstraat zijn.
 Om de dierentuin een aangenamere plaats te maken voor de bezoekers, werden ook concerten en feesten georganiseerd. De kinderen konden zich vermaken in de skatingring en met kinderritjes op pony’s of kamelen. In de beginjaren huisden er alleen heel gewone dieren zoals kippen en konijnen. Later groeide het uit tot een bonte zoo met apen, olifanten, een lama, papegaaien, kangoeroes, een kameel en andere exotische beesten. Een bezoek aan de dierentuin werd het favoriete uitje van de rijke snobs, maar toen rond de eeuwwisseling het kusttoerisme op gang kwam, verloren ze hun interesse.

Ondanks al deze moeite om de dierentuin nieuwe impulsen te geven, bleef het bezoekersaantal dalen en werd er in 1903 overgegaan tot het ontbinden van de maatschappij en in 1905 ging de Gentse zoo dicht. De dieren werden openbaar verkocht. Olifant Jack ging bijna een circuscarrière tegemoet, maar een zeker 'Siesken de Gistmarchand' (een handelaar in gist) bood net iets meer dan de circusdirecteur. Helaas voor Jack, want hij werd genadeloos in mootjes gehakt. Siesken organiseerde met de 1975 kg olifantvlees een groot feest en verkocht de rest aan een worstenfabriek. De kop van de onfortuinlijke olifant werd nog enkele dagen tentoongesteld in een Gents hotel.


Het huidige Muinkpark is één van de weinige overblijfselen van de dierentuin. De zitbanken in het park werden door buurtbewoners van dierenprints voorzien.

Verder verwijzen nog heel wat straatnamen in de buurt naar de vroegere zoo: Tijgerstraat, Olifantstraat, Leeuwstraat, Hertstraat, Alpacastraat, Buffelstraat, Zebrastraat, ...

Over de vzw
Bestuur
Lid worden

 

Historiek van de Gentse muinkparkzoo

 

 


Home Werkgroep Verkeer Werkgroep BPA Nieuwsbrieven Fotogalerij Agenda
mailto:webmaster@muinkparkwijk.be